Borstvoeding en tepelpiercing

 

Een tepelpiercing hoeft geen belemmering te zijn voor het geven van borstvoeding. Wel is het van belang dat het plaatsen van de piercing al geruime tijd geleden is en dat de wond goed is genezen. Door je tepelpiercing voor iedere voeding te verwijderen, zorg je ervoor dat je baby daar geen hinder van heeft bij het drinken aan de borst.

 

De meeste tepelpiercings worden horizontaal geplaatst, net onder de melkkanaaltjes door. Zo blijft schade aan de melkkanaaltjes beperkt en geeft de piercing meestal geen problemen bij het voeden. Het kan gebeuren dat er bij het piercen een melkkanaaltje is doorboord. Je merkt dan misschien dat er ook melk uit de piercinggaatjes komt. Vooral in de eerste paar weken na de bevalling zal de borst dan wat extra lekken tussen de voedingen door.

 

De tepel is vanwege de vele zenuwen erg gevoelig, wat belangrijk is voor het krijgen van een goede toeschietreflex. Wanneer belangrijke zenuwbanen zijn beschadigd, kan de tepel minder of juist extra gevoelig worden. Als de tepel minder gevoelig is, kan het zijn dat de melkstroom minder goed op gang komt. Een extra gevoelige tepel kan tijdens het voeden een onprettig gevoel geven.

 

Soms zijn enkele melkkanaaltjes in het genezingsproces afgesloten geraakt, bijvoorbeeld door littekenweefsel als gevolg van irritatie of zelfs een ontsteking. De melk kan daar dan niet naar buiten. Met name in het begin van de borstvoedingsperiode kunnen daardoor plaatselijk harde plekken in je borst ontstaan die moeilijk zijn weg te masseren. Koelen kan helpen om dit tijdelijke ongemak te verminderen.

 

Voor persoonlijke begeleiding bij het voeden met een tepelpiercing kun je eventueel een lactatiekundige IBCLC raadplegen.